Steunpunt Jeugdhulp
nog niet geregistreerd? - wachtwoord vergeten?

Zoeken | sitemap

Nieuwsbrief | schrijf uit

Lees alles over het
nieuwe registratiesysteem
 

Registreer in BINC

Registreer in Binc-HCA

De effectiviteit van residentiele jeugdzorg. Een follow-up-studie onder ex-bewoners van het Leerhuis.

Marjolein Baan en Jan Janssens  (2013)

De effectiviteit van residentiele jeugdzorg. Een follow-up-studie onder ex-bewoners van het Leerhuis.

Marjolein Baan en Jan Janssen bespreken in dit boek de uitkomsten van een praktijkgericht onderzoek naar de effectiviteit van het Leerhuis. In deze boekbespreking omschrijven we kort de achtergrond van het onderzoek, de belangrijkste onderzoeksuitkomsten en geven ten slotte een korte reflectie.

Achtergrond onderzoek

Het Leerhuis is een bijzondere (Nederlandse) vorm van residentiële hulpverlening. Deze module is specifiek gericht op jongeren die nog niet toe zijn aan een vorm van begeleid wonen of kamertraining, maar wel gemotiveerd zijn om dit voor elkaar te krijgen. Er is aandacht voor groepsaspecten waarbij jongeren gezamenlijk kunnen eten en voor elkaar koken (zoals in een leefgroep). Daarnaast is er ook veel aandacht voor het individuele traject van de jongere, waarbij er onder andere voor twee jongeren kamers zijn met een eigen keuken.

Uit eerder onderzoek naar het Leerhuis blijkt dat deze module een goede aanvulling vormt op het bestaande zorgaanbod. Doordat het Leerhuis van het begin af aan in sterke ontwikkeling is gebleven is het, in dit boek centraal staande onderzoek, uitgevoerd om de effectiviteit over de periode 2007 tot 2011 te onderzoeken.

Voordat tot beschrijving van het onderzoek wordt overgegaan gaat de aandacht van de onderzoekers uit naar effectonderzoek in de residentiële jeugdzorg. Er wordt uiteengezet wat er uit onderzoek bekend is over de kenmerken en achtergronden van jeugdigen in de residentiële jeugdzorg. Daarnaast gaan de onderzoekers in op onderzoek gericht op gedragsveranderingen en andere uitkomsten van residentiële jeugdzorg.

Onderzoek op dit vlak blijkt schaars, er wordt vooral gekeken naar de overzichtsstudie van Harder e.a. uit 2006. Hieruit blijkt o.a. dat de problematiek van jeugdigen uit de residentiële jeugdzorg complexer is dan jeugdigen die thuis wonen, deze doelgroep blijkt ook te kampen met aanzienlijk meer kind- en gezinsgebonden problemen. Een meerderheid van de jongeren is van het mannelijk geslacht, tussen de 12 en 18 jaar oud, hebben een beneden gemiddelde intelligentie, kampen met zowel externaliserende als internaliserende problemen, hebben een uitgebreide hulpverleningsgeschiedenis, een beperkt toekomstperspectief en een kleiner sociaal netwerk. Bij een groot aantal jeugdigen is er bij het verlaten van de residentiële zorg geen sprake van verbetering. De leefsituatie na vertrek kenmerkt zich door instabiliteit, onzekerheid en problematiek. Factoren als de tevredenheid over de behandeling en het al dan niet voortijdig vertrekken uit de residentiële zorg beïnvloeden de resultaten.

Onderzoek naar het Leerhuis

In het onderzoek staat de vraag centraal of het Leerhuis een effectieve vorm van residentiële hulpverlening is. Na een beschrijving van de doelgroep van het Leerhuis (achtergrond, hulpverleningsgeschiedenis, gezinskenmerken en gedragsproblemen) werd aan de hand van de reden van beëindiging hulp, cliënttevredenheid en de mate van functioneren in de samenleving, onderzocht of de jongeren baat hebben gehad bij deze vorm van hulpverlening. Het onderzoeksmateriaal werd verkregen door dossieranalyses en semigestructureerde gesprekken met 15 jongeren die in het Leerhuis hebben gewoond.

De samenvatting aan het begin van het boek geeft op één pagina de belangrijkste conclusies weer (zie p.7). Ondanks de beperkingen die de onderzoeksopzet met zich mee brengt, concluderen de onderzoekers dat jongeren na vertrek uit het Leerhuis over het algemeen goed in staat zijn om te functioneren in de samenleving en gelukkig en tevreden zijn met hun leven. Ook na langere tijd beoordelen zij het Leerhuis als positief.

Reflectie

In 2012 deed Steunpunt Jeugdhulp onderzoek naar ‘werkzame factoren en methodieken in residentiële werkvormen in Vlaanderen’. Uit dit verkennende onderzoek bleek onder andere dat (effect)onderzoek over residentiële jeugdhulp schaars is. Het onderzoek van Marjolein Baan en Jan Janssens trok daarom direct de aandacht. Kennis en onderzoek naar wat werkt binnen de residentiële hulpverlening zal stapsgewijs, met vallen en opstaan ontwikkeld moeten worden. Ook uit dit onderzoek blijkt dat er veel haken en ogen zijn waar rekening mee gehouden moet worden. Interessant zijn de overeenkomsten tussen de aanbevelingen uit dit onderzoek en de aanbevelingen die Steunpunt Jeugdhulp in haar onderzoek deed. En aantal reflecties.

In meer algemene zin concluderen ook Baan en Janssens dat (effect)onderzoek op het vlak van residentiële jeugdzorg beperkt is. De stand van zaken geven zij beknopt doch overzichtelijk weer, waarbij de focus vooral op een aantal toonaangevende Nederlandse onderzoeken (van Van Yperen, Veerman, Harder en Knorth) ligt. Interessant voor wie een toegankelijk, algemeen beeld wil krijgen rondom dit thema, echter zonder enige achtergrondkennis is deze weergave aan de beknopte kant.

De onderzoekers aarzelen niet om over het onderzoek de vinger op een aantal zwakke plekken te leggen en concrete aanbevelingen te formuleren. Het betreft hier een aantal aspecten waar in andere evaluatieonderzoeken ongetwijfeld ook mee geworsteld wordt. Hun vaststellingen en aanbevelingen kunnen hiermee een interessante inspiratiebron voor andere voorzieningen zijn.

Zo stellen de onderzoekers dat een duidelijke beschrijving van de doelgroep kan voorkomen dat er jongeren geplaatst worden waarvoor de hulp ontoereikend zal zijn. Momenteel is de beschrijving van de doelgroep van het Leerhuis onvoldoende concreet waardoor het onduidelijk is of hulp is verleend aan jongeren voor wie het Leerhuis bedoeld is. Problemen op het vlak van doelgroepomschrijving zijn veel voorkomend. Zo blijkt uit het onderzoek van Steunpunt Jeugdhulp dat het voor veel Vlaamse residentiële voorzieningen moeilijk is om duidelijke doelgroepomschrijvingen te geven.

De kleine populatie wordt eveneens als zwakte benoemd. De resultaten zijn afkomstig van 15 jongeren waardoor de percentages minder veelzeggend zijn en gevoeliger zijn voor toevals invloeden. Daarnaast was het niet mogelijk om een controlegroep te organiseren, waardoor het moeilijker is om de uitkomsten uit dit onderzoek te generaliseren. Hierbij zij opgemerkt dat het werken met controlegroepen in de hulpverleningssector niet evident is en daarom vrijwel niet voorkomt. Ook blijkt het moeilijk om een causaal verband te leggen tussen de invloed van het Leerhuis en de behaalde resultaten. De resultaten hoeven immers niet het gevolg te zijn van de begeleiding in het Leerhuis. Meer gedegen onderzoek is in dit kader noodzakelijk.

Naast deze meer ‘technische’ aanbevelingen stellen de onderzoekers vast dat jongeren die in het Leerhuis hebben gewoond op de meeste gebieden niet beter of slechter functioneren dan andere Nederlandse jongeren. Het sociale netwerk van deze jongeren lijkt echter beduidend minder groot, daarnaast lijken jongeren meer alcohol te drinken. Ook uit eerdere onderzoeken blijken dit twee invloedrijke aspecten voor de uitkomsten van de residentiële hulpverlening. In het Leerhuis dient daarom meer aandacht aan deze aspecten te worden besteed.

Voor wie meer wil weten over effectiviteit binnen de residentiële jeugdzorg biedt het boek van Baan en Janssens een interessante, overzichtelijke kijk op de algemene ontwikkelingen en meer specifiek het traject dat binnen de specifieke module van het Leerhuis tot nu toe is bewandeld.

 

 

 


 

<< Terug