Steunpunt Jeugdhulp
nog niet geregistreerd? - wachtwoord vergeten?

Zoeken | sitemap

Nieuwsbrief | schrijf uit

Lees alles over het
nieuwe registratiesysteem
 

Registreer in BINC

Registreer in Binc-HCA

Jong in Antwerpen en Gent. Bevindingen uit de JOP-monitor Antwerpen-Gent

N. Vettenburg, M. Elchardus, J. Put, S. Pleysier  (2013)
Uitgeverij: Acco Leuven / Den Haag

Jong in Antwerpen en Gent. Bevindingen uit de JOP-monitor Antwerpen-Gent

In 2003 is het Jeugd Onderzoeks Platform (JOP) opgericht met als doelstelling de ‘staat van de jeugd’ periodiek in beeld te brengen. De JOP-monitor dient meer inzicht te creëren in de leefwereld van kinderen en jongeren. Na schoolonderzoek in de Brusselse hoofdstad, onderzoekt ‘Jong in Antwerpen en Gent’ de levensomstandigheden, leefwereld en het gedrag van Antwerpse en Gentse jongeren tussen 12 en 18 jaar. Thema’s die daarbij aan bod komen zijn: Gentse en Antwerpse jongeren en schoolwelbevinden, academische motivatie, academisch en arbeidsmarktgericht toekomstperspectief, subjectief welbevinden, het verenigingsleven, houdingen ten aanzien van andere culturen, homofobie, overlastperceptie en delinquentie.

Eindredacteur Mark Elchardus geeft in zijn analyse aan het eind van het boek de belangrijkste bevindingen weer. Een aantal van deze bevindingen vatten we hieronder samen. Daarnaast gaan we in op het kritische debat dat in het tijdschrift ALERT voor sociaal werk en politiek naar aanleiding van dit onderzoek is ontstaan.

Enkele belangrijke uitkomsten

De analyse van Elchardus vangt aan met de conclusie dat gendergelijkheid en respect voor de seksuele voorkeur door de meeste Antwerpse en Gentse jongeren wordt omarmd. Homoseksualiteit wordt echter nog steeds in mindere mate aanvaard door het milieu van bewust christelijke jongeren en met name ook moslimjongeren.

Uit de peiling naar etnische vooroordelen blijkt o.a. dat de groep Vlamingen met een niet-bevooroordeelde houding veel groter is dan die met een negatieve houding. De opvattingen van deze laatste groep zijn echter wel zorgwekkend en wijzen op een sterke afwijzing. Onderzoek naar de opvattingen over Joden wijst uit dat een grote groep moslimjongeren een negatieve houding heeft t.a.v. Joden (45% van de moslimjongeren ten op zichte van 10% van de niet-moslim jongeren).

Elchardus concludeert dat sociale afstanden tussen jongeren groot zijn. Redenen waarom jongeren sociale afstand nemen van andere culturen en de mogelijkheden om sociale afstanden tussen culturen af te bouwen, zijn verschillend voor autochtone en allochtone jongeren. Het werken aan meer verdraagzaamheid is daarom maatwerk. Zo leiden opportuniteiten bij jongeren van Belgische origine tot meer contact met andere culturen en tot meer begrip voor, en het openstellen naar, andere culturen. Bij moslimjongeren hebben deze contactmogelijkheden echter weinig effect. Voor hen leidt meer kennis van de Nederlandse taal tot meer openheid naar West-Europeanen.

Op het vlak van overlast blijkt dat jongeren die minder tevreden zijn met de eigen buurt en die een sterkere intolerantie bij volwassen buurtbewoners t.a.v. jongeren ervaren, een hogere overlast rapporteren. Opvallend is dat jongeren die meer frequent in buurtverenigingen participeren ook significant meer overlast in de eigen woonbuurt ervaren.

Maar liefst 63% van de bevraagde scholieren is lid van één of meerdere verenigingen. Een aantal groepen blijkt de weg naar het verenigingsleven echter niet te vinden. Het gaat om groepen met laaggeschoolde ouders, jongeren die leven in gezinnen met een relatief lage materiële welvaart, jongeren van allochtone afkomst of meisjes. Het lokaliseren van deze non-participanten van verenigingen kan interessant zijn om tot meer inzicht te komen in hoe men deze jongeren ook buiten het verenigingsleven kan ondersteunen. De vraag hierbij is wat deze jongeren momenteel doen en willen doen in hun vrije tijd.

Een positieve afsluiter is dat Antwerpse en Gentse jongeren over het algemeen goed in hun vel zitten. Wanneer gekeken wordt naar het welbevinden van leerlingen op school blijkt dat leerlingen met een positieve kijk op de toekomst, een positief zelfbeeld en responsieve ouders een positieve schoolbeleving hebben en tevreden zijn met hun leerkrachten. Ook de materiële welvaart van het gezin blijkt een rol te spelen. Leerlingen die een laag wooncomfort rapporteren, hebben een negatieve relatie met hun leerkrachten. Opvallend is dat allochtone moslims een hogere waardering voor de school hebben en even academisch gemotiveerd zijn als andere allochtone jongeren. Deze motivatie zou door beleidsmakers beter benut kunnen worden om de onderwijsprestaties te verbeteren.

Kritische reflectie op het onderzoek

Het JOP-onderzoek wordt in het tijdschrift ALERT door een vijftal auteurs kritisch bekeken. ‘Van JOP naar Flop?’ is de vraag die zij opwerpen in de uitgave van mei 2013. De auteurs stellen onder andere dat interne tegenspraken de uitkomsten van het onderzoek verzwakken. Zo lijkt het uitgangspunt van eindredacteur Elchardus, dat materiële welvaart van het gezin er nauwelijks of helemaal niet toe doet, niet te steunen op de consensus van de betrokken onderzoekers. Ook wordt de methode van het onderzoek door de auteurs in vraag gesteld. Zo lijken een aantal vragen moeilijk genuanceerd te beantwoorden. Daarnaast is het de vraag of onderzoekers met hun vraagstellingen wel meten wat zij denken te meten en hiermee daadwerkelijk de leefwereld van jongeren in beeld brengen. De vragen lijken meer aan te sluiten bij de denkbeelden, visies en overtuigingen van de onderzoekers dan van de jongeren zelf. Een ander aandachtspunt is dat nergens ingegaan wordt op het feit dat Joodse jongeren niet bij het onderzoek zijn betrokken, terwijl vooroordelen ten aanzien van Joden wel bevraagd worden. Het zou interessant geweest zijn om te weten hoe Joodse jongeren naar andere jongeren kijken. Gezien het feit dat het ‘zichtbaar maken’ van alle jongeren een belangrijk speerpunt van het onderzoek is, was het logisch geweest dat er wordt benoemd dat Joodse jongeren met dit onderzoek niet zijn bereikt. Belangrijk kritiekpunt van de auteurs van het artikel is tenslotte dat er in de tot vandaag verschenen publicaties van het JOP geen onderbouwde implicaties voor beleid en beleidsaanbevelingen terug te vinden zijn.

In reactie op deze kritische reflectie wordt in de ALERT-uitgave van juli 2013 gesteld dat JOP zeker geen flop is. In deze bijdrage wordt onder meer naar voren gebracht dat een aantal thema’s niet op zo’n wijze zijn bevraagd dat er conclusies uit getrokken kunnen worden. Zo wordt materiële welvaart niet als sterk verklarende factor in beeld gebracht, maar cultuur wel. Dit impliceert volgens de auteurs echter niet dat de onderzoekers stellen dat armoede geen issue is. Daarnaast wordt gesteld dat het wel degelijk van belang is dat onderzoekers de thema’s bepalen, om zo van buiten af een kritisch beeld te kunnen schetsen met positieve én negatieve kanten. De praktijk zou de onderzoeksagenda niet moeten bepalen gezien het risico op een te eenzijdig beeld. Hierbij dient volgens de auteurs in het oog gehouden te worden dat geen enkel onderzoek de volledige complexiteit van de samenleving kan vatten. Het is niet gezegd dat een meer participatief opgezet onderzoek de ‘echte’ leefwereld van jongeren beter kan vatten dan de huidige opzet van het onderzoek.

Besluit: reflectie Steunpunt Jeugdhulp

Een eerste aandachtspunt voor dit onderzoek heeft betrekking op interne tegenspraak die in het boek aanwezig lijkt te zijn. Uit de kritische reflecties valt af te leiden dat er bepaalde misvattingen over de onderzoeksuitkomsten ontstaan doordat een aantal thema’s niet op zo’n wijze zijn onderzocht dat hier conclusies uit getrokken kunnen worden. Dit is bijvoorbeeld op het vlak van armoede en materiële welvaart het geval. Uit de reflectie ‘Jop is geen Flop’ bleek dat materiële welvaart niet sterk in beeld is gebracht, wat niet inhoudt dat de onderzoekers hiermee concluderen dat armoede geen issue is. Vervolgonderzoek is in dit kader aangewezen. Wanneer de onderzoekers dit meer hadden benadrukt, hadden zogenaamde ‘tegenspraken’ in het boek voorkomen kunnen worden.

Ten tweede blijkt uit kritische reflectie ‘Van Jop naar Flop’ dat iets concretere (beleids)aanbevelingen toch zeker mogelijk zijn. Van onderzoekers hoeft niet verwacht te worden dat zij over dezelfde ervaring, inzicht en expertise beschikken als beleidsmakers (zie p.351 uit Jong in Antwerpen en Gent), maar concretere aanbevelingen lijken, met name in het licht van de doelstellingen van de JOP-monitor, wel aangewezen. Het is vervolgens aan de beleidsmakers om af te wegen wat er met deze aanbevelingen gebeurt en eventueel in debat te gaan met de onderzoekers.

Tenslotte kan de vraag opgeworpen worden of een deel van het onderzoek toch niet participatiever ingericht had kunnen worden. Terecht wordt in ‘Jop is geen Flop’ gesteld dat participatief onderzoek de leefwereld van jongeren niet persé beter kan vatten. De auteurs geven aan dat voor een objectief kritisch beeld, de praktijk de onderzoeksagenda beter niet bepaalt. Waarom niet een combinatie van ‘the best of both worlds?’. Een participatief element kan een waardevolle aanvulling zijn op de huidige vormgeving van het onderzoek om zo een vollediger beeld van de leefwereld van jongeren te schetsen. Academische werkplaatsen kunnen bijvoorbeeld een manier zijn om de academische wereld en het praktijkveld te verbinden.

Alles overziend is ‘Jong in Antwerpen en Gent’ een complex onderzoek met interessante, boeiende (nieuwe) inzichten in de leefwereld van jongeren. Het is een boek dat direct interesse wekt en uitdaagt tot kritisch meedenken, zoals ook blijkt uit de reflecties in ALERT. Het gaat over thema’s die ons allemaal raken en waar ook in de media veel aandacht voor is. Zijn de uitkomsten herkenbaar? Welke thema’s zouden nog meer interessant kunnen zijn en zijn er suggesties voor toekomstig JOP onderzoek? Lees het boek, en denk mee.
 

 

<< Terug