Steunpunt Jeugdhulp
nog niet geregistreerd? - wachtwoord vergeten?

Zoeken | sitemap

Nieuwsbrief | schrijf uit

Lees alles over het
nieuwe registratiesysteem
 

Registreer in BINC

Registreer in Binc-HCA

Gekleurde armoede en hulpverlening. Sociaal werkers aan het woord.

B. Van Robaeys, K. Driessens  (2013)
Uitgeverij: Lannoo Campus

Gekleurde armoede en hulpverlening. Sociaal werkers aan het woord.

Hoe denken hulpverleners over gekleurde armoede? Op welke manier gaan zij met arme cliënten van vreemde herkomst aan de slag? Wat zijn de verwachtingen over en ervaringen van hulpverleners van deze cliënten?

Voor mensen van andere herkomst is het risico op leven in armoede drie tot vier maal hoger dan voor de groep van Belgische herkomst. Sociaal werkers komen steeds meer in aanraking met arme personen van vreemde herkomst. Toch is onderzoek op dit vlak in Vlaanderen tot nu toe beperkt. Het onderzoek ‘Gekleurde armoede en hulpverlening’ biedt een belangrijke bijdrage aan de kennis over armoede, diversiteit en hulpverlening.

‘Gekleurde armoede en hulpverlening’ schetst een beeld over hoe sociaal werkers en hun cliënten naar elkaar kijken en samenwerken. De onderzoekers presenteren in dit boek de uitkomsten van interviews met 20 sociaal werkers en 16 cliënten van Antwerpse CAW’s en OCMW’s. De perspectieven van cliënten en sociaal werkers worden door middel van citaten op rake wijze weergegeven. De onderzoekers schetsen een helder verband tussen de perspectieven van sociaal werkers en cliënten. Door deze perspectieven te verbinden komen een aantal sterke en zwakke punten aan de oppervlakte. Zo blijkt dat bijna alle geïnterviewde cliënten ingaan op de sleutelrol die het sociaal werk en de hulpverleners in hun leven hebben gespeeld. Sociaal werkers getuigen van een grote betrokkenheid met hun werk en met cliënten. Tegelijkertijd benoemen zij, in de hulpverleningsrelatie met cliënten van een andere herkomst, het ervaren van een cultuurkloof.

Het cultuurkloofparadigma, ofwel een geloof in fundamenteel anders zijn van andere culturele groepen, werkt volgens dit onderzoek sterk door binnen het sociaal werk. In de relatie met cliënten van een andere herkomst die in armoede leven, gaat de aandacht met andere woorden niet uit naar de rol die armoede speelt in de hulpverleningsrelatie, maar naar het culturele verschil. De complexe situatie van cliënten wordt hiermee snel gereduceerd tot een cultureel probleem.

Belangrijke vraag is of het sociaal werk zich tot doel stelt om ‘onaangepasten’ te normaliseren, of dat ze samen met groepen van verschillende herkomst de structurele condities aanklagen die processen van sociale ongelijkheid, uitsluiting en armoede mogelijk maken. Ter illustratie gaan de onderzoekers in op het zogenaamde activeringsdebat.

Sociaal werkers ervaren problemen om de (emancipatorische) activeringsdoelstellingen van organisaties te verzoenen met de leefwereld van cliënten. De onderzoekers klagen aan dat de definiëring van het activeringsprobleem vooral rekening houdt met de perspectieven van dominante lagen van de bevolking. Zij pleiten voor een gedeelde maatschappelijke verantwoordelijkheid waarbij organisaties een engagement opnemen om voldoende haalbare kansen tot sociale activering aan te bieden op maat van betrokkenen.

‘Gekleurde armoede en hulpverlening’ geeft niet alleen een goed beeld van de dilemma’s en kansen op het vlak van armoede en diversiteit binnen het sociaal werk, maar resulteert ook in duidelijke aanbevelingen op diverse (micro-, meso- en macroniveaus). Wij kijken uit naar gelijksoortig (vervolg)onderzoek binnen Vlaanderen.

<< Terug